Bin­nen de hui­dige opzet van ons onder­wijs­sys­teem zijn ken­nis en de daar­bij pas­sende vaar­dig­he­den goed ver­zorgd. Een grote groep andere men­se­lijke vaar­dig­he­den wordt maar gedeel­te­lijk, en zeker niet fun­da­men­teel, in het onder­wijs mee­ge­no­men. Het zijn naar ons inzicht nu pre­cies die vaar­dig­he­den waar we als mens­heid en wereld grote behoefte aan hebben.

Er gebeurt veel in het onder­wijs, de ver­nieu­wing en ver­bre­ding zijn een groot goed. ‘21st Cen­tury Skills’ zor­gen voor een ver­schui­ving van de inhoud naar de vaar­dig­he­den die nodig zijn om zelf ken­nis en kunde te ver­wer­ven en te kun­nen samen­wer­ken. Ook de toe­ne­mende moge­lijk­he­den voor stu­den­ten om een indi­vi­du­ele leer­route samen te stel­len laten zien dat her­kend wordt dat er meer dif­fe­ren­ti­a­tie nodig is.

Juist in deze zeer hoop­volle bewe­gin­gen wil­len we de aan­dacht ves­ti­gen op een aan­tal die­per­lig­gende prin­ci­pes die ook mee­ge­no­men mogen wor­den in de ver­nieu­wing. Het is goed om het onder­wijs aan te pas­sen aan moderne mid­de­len en behoef­ten, het gaat nog veel meer hel­pen als we de fun­da­men­ten van wat gevraagd wordt gaan door­zien. Dit is onze poging om ze in kaart te brengen.

Voorstel 1: Het waarnemen en begrijpen van de wereld vanuit de samenhang

Om te begrij­pen, heeft de weten­schap de afge­lo­pen eeu­wen zo’n beetje alles uit elkaar geplo­zen wat bestaat. Uit­plui­zen is han­dig om te begrij­pen hoe iets werkt en uit welke onder­de­len iets bestaat. Maar niet om com­plexe sys­te­men te ver­zor­gen en te hel­pen her­stel­len. Het is de hoog­ste tijd dat we weer in elkaar gaan plui­zen, dat we weer gaan her­ken­nen hoe alles met elkaar samen­hangt en op elkaar inwerkt. 

Het onder­wijs kan hier een belang­rijke bij­drage aan leve­ren. Ze kan dat doen door de manier waarop het gege­ven wordt en door spe­ci­fieke inhoud beschik­baar te stellen. 

We zijn op dit moment veel aan het repa­re­ren. Repa­re­ren van nega­tieve effec­ten van wat we bedacht heb­ben. Of het nu gaat over plas­tics en PFAS die ons lichaam zijn bin­nen­ge­dron­gen of de over­pro­duc­tie van voed­sel in een deli­cate natuur­lijke omge­ving die daar niet tegen opge­was­sen is.

Wat we moge­lijk wil­len maken is dat men­sen van jongs af aan geoe­fend kun­nen wor­den in het sys­te­misch kij­ken, den­ken, ont­wer­pen en han­de­len. Op die manier voor­ko­men we dat toe­kom­stige uit­vin­din­gen onge­wenste effec­ten heb­ben op onze omge­ving. Neem bij­voor­beeld plas­tics, als die uit­ge­von­den waren van­uit een sys­te­misch besef, dan zou­den ze ook weer terug­ge­bracht moe­ten kun­nen wor­den tot hun ele­men­taire bouw­ste­nen. En land­bouw zou niet inten­sief gewor­den zijn als we eer­der beseft had­den dat de aarde niet onein­dig kan geven.

We den­ken dat het nodig is om voor elk onder­werp waar aan­dacht aan besteed wordt in het onder­wijs twee vra­gen te stel­len bij de vorm­ge­ving van een leeromgeving:

  • Wordt het gehele sys­teem, waar het onder­werp een deel van is, vol­doende mee­ge­no­men in het leren hier­over? (Een heel sys­teem is een sys­teem dat op zich­zelf kan functioneren.)
  • Wor­den de acto­ren die bin­nen het sys­teem te maken heb­ben met het onder­werp vol­doende mee­ge­no­men in het leren hierover?

Sys­te­misch kij­ken, den­ken en han­de­len, wor­den een essen­ti­eel onder­deel in het onder­wijs als we wil­len dat jonge men­sen kun­nen gaan bij­dra­gen aan de toe­komst. Sys­te­misch kij­ken en han­de­len zal een rode draad moe­ten zijn in het gehele leer­tra­ject. Het is mis­schien nog wel het nodigst in het secun­dair, hoger en uni­ver­si­taire onder­wijs waar nog vaak onder­wijs gege­ven wordt in de delen van gehe­len. Jonge men­sen zijn vaak nog niet geoe­fend om de ver­ban­den te zien tus­sen onder­de­len, de leer­om­ge­ving zal hen daar­bij moe­ten helpen.

Op die manier hoe­ven we in de toe­komst min­der te repa­re­ren, omdat we al tij­dens het ont­werp en maak­pro­ces heb­ben nage­dacht over de gevol­gen van een uit­vin­ding bin­nen het dyna­mi­sche even­wicht waar de uit­vin­ding gebruikt gaat worden.

Gevolg: Ik leer veel meer dan line­aire ver­ban­den te zien en wat de impact van mijn han­de­len of niet han­de­len is op de ander, de wereld om mij heen en het gehele levende systeem.

Kid on a pile of books

Voorstel 2: Het waarnemen en stimuleren van uniekheid

Niets op aarde is exact het­zelfde; geen zand­kor­rel­tje, paper­clip of mens. Dat is niet voor niets, juist deze uniek­heid maakt dat er unieke en wezen­lijke uitin­gen gedaan kun­nen wor­den, door unieke indi­vi­duen of door groe­pen unieken. 

Toch is ons onder­wijs­sys­teem nog maar wei­nig inge­richt om deze uniek­heid tot ont­wik­ke­ling te bren­gen. Er zijn name­lijk nog te veel aspec­ten in het onder­wijs die con­for­mi­teit in de hand wer­ken. Denk bij­voor­beeld aan stu­de­ren om een pro­pe­deuse of een vak ‘te halen’. Het afstre­pen van behaalde com­pe­ten­ties of vaar­dig­he­den zijn daarin een hoger doel dan de eigen leer­weg en originaliteit. 

Dat begint al bij het idee dat we den­ken te weten wat een jong mens aan ken­nis nodig heeft om een suc­ces­vol (werk)leven te heb­ben. De authen­tiek­ste en fun­da­men­teel­ste ont­dek­kin­gen zijn ech­ter gedaan door men­sen die hun eigen fas­ci­na­ties volg­den in hun leer­weg. Voor­dat je zegt, “Som­mige kin­de­ren heb­ben dat niet!”, klopt, dat is zo. Wij den­ken ech­ter dat ze die niet heb­ben omdat ze deze nooit heb­ben leren ont­dek­ken en oefenen. 

Er zijn geluk­kig aller­lei ont­wik­ke­lin­gen in het onder­wijs waar­bin­nen leer­lin­gen meer hun eigen leer­weg vorm­ge­ven op basis van de leer­vra­gen die ze tegen­ko­men bij het bestu­de­ren van een onder­werp. Alleen ont­breekt het leer­be­ge­lei­ders (in welke rol dan ook) in deze nieuwe stro­min­gen nog vaak aan geoe­fend­heid in het her­ken­nen en sti­mu­le­ren van uniek­heid. Daar­naast is het belang­rijk om niet ver­ge­ten dat deze bege­lei­ders wer­ken in een omge­ving waar de moge­lijk­heid om uniek­heid te ont­plooien beperkt is, ook voor henzelf.

Ons soci­ale ver­mo­gen is in zijn meest geoe­fende vorm in staat de uniek­heid van ieder mens te zien en zich er een ver­hou­ding toe te ver­schaf­fen. Het ver­eist oefe­ning om de ori­gi­na­li­teit van een ander te leren ont­dek­ken, maar we kun­nen ons ver­heu­gen op de schoon­heid die ont­staat wan­neer een mens zijn eigen­heid vorm kan geven, door­dat wij dit met onze aan­dacht moge­lijk maken.

Gevolg: Ik leer diver­si­teit te waar­de­ren. Ook leer ik andere manie­ren van zijn, den­ken en han­de­len als een essen­ti­ële bij­drage aan het geheel te zien. Ik word mij bewust van mijn iden­ti­teit door de feed­back van de ander op mijn handelen.

Balancing Stones by Paul Harnischfeger
Paul Har­nisch­fe­ger - Balan­cing Stones

Voorstel 3: Het gezonde evenwicht herstellen tussen expressie en impressie

Een van de belang­rijke ver­strek­kers van infor­ma­tie is het lichaam en haar zin­tui­gen. Maar in het hui­dige onder­wijs ligt de focus vaak nog bij het hoofd. Het onder­wijs zou meer tijd voor de oefe­ning van het lichaam als instru­ment voor waar­ne­men en waar­ne­mings­ver­wer­king mogen hebben. 

Dit heeft er vooral mee te maken dat de mens van nature een expres­sief wezen is. Ieder­een wil zich uiten en bij­dra­gen. De manier waarop is voor elk mens uniek en de rich­ting van de bewe­ging naar bui­ten is uniek. Maar wan­neer we naar het ver­loop van het leer­tra­ject van basis­school naar uni­ver­si­teit kij­ken, dan zien we dat naar­mate dit tra­ject vor­dert er meer aan­pas­sing aan vorm en norm wordt gevraagd. Er wordt infor­ma­tie naar bin­nen gebracht en er wordt gecon­tro­leerd of die vol­doende beheerst en gehan­teerd wordt. In het sys­teem is wei­nig ruimte voor ori­gi­na­li­teit, en dit her­ken­nen en sti­mu­le­ren hangt geheel van de kwa­li­teit van de docent af.

Aan de expres­sie­kant van leren wordt veel min­der aan­dacht besteed en daar­mee bedoe­len we niet alleen expres­sie­vak­ken als teke­nen of muziek. Het heeft tot gevolg dat veel jonge men­sen, als ze uit het onder­wijs­sys­teem komen, expres­sief onge­oe­fend zijn. Zijn ken­nen maar een beperkt aan­tal manie­ren waar­bin­nen ze zich kun­nen uiten. Daar­naast is de inhoud van veel onder­wijs geba­seerd op alge­mene aan­na­mes over wat een jong mens zou moe­ten leren, en hoe. Dat maakt het heel moei­lijk om een eigen manier van expres­sie, zowel de din­gen op een eigen wijze doen als het uiten van zich­zelf, te oefe­nen. En dat heeft natuur­lijk ook weer gevol­gen voor het kun­nen her­ken­nen van de uniek­heid van de anderen.

We zien dat de maat­staf van jon­ge­ren dan beperk­ter wordt; alles wat bui­ten de groeps­norm valt moet wor­den ver­oor­deeld en men meent iets unieks te zien in een extreme uitings­vorm. Beide zijn ken­mer­ken van onge­oe­fende expres­sie­vaar­dig­he­den. We wor­den min­der mens van min­der expres­sie en meer alge­meen van over­ma­tige impres­sie. Het gevolg is dat ik me steeds meer ga en moet aan­pas­sen aan een fan­ta­sie­loze norm.

Ont­wik­kelde expres­sie ver­krijg je door oefe­ning van de zin­tui­gen en daar­voor is het gebruik van het gehele lichaam nood­za­ke­lijk. Het ken­merk van geoe­fende zin­tui­gen is oor­deel­loos­heid, het ken­merk van onge­oe­fende zin­tui­gen helaas het tegen­over­ge­stelde. Wak­kere zin­tui­gen ver­krij­gen we door het waar­ne­men van expres­si­vi­teit in onze omge­ving: sport, kunst, gedrag van ande­ren, samen­wer­king en intel­li­gen­tie. Zin­tui­gen wor­den ech­ter niet geoe­fend in een toe­stand van pas­si­vi­teit. Het bekij­ken van Inst­agram- en Tik­Tok­be­rich­ten ver­gro­ten de expres­sie­vaar­dig­he­den niet, het opne­men en online zet­ten van dans­jes wel. Te wei­nig expres­sie leidt tot depres­sie en tot een zelf­ken­nis die komt uit beschou­win­gen in plaats van ervaringen.

De impres­sie-les­me­thode leert ons toch voor­na­me­lijk wat al bekend is, ter­wijl de expres­sie een vaar­dig­heid ont­wik­kelt die zich thuis voelt in het onbe­kende, onvoor­spel­bare en onzekere.

Maar het belang­rijk­ste van het naar bui­ten gerichte karak­ter van de expres­sie is dat de ver­bin­ding met de wereld tot stand komt door acti­vi­tei­ten (waarop ik natuur­lijk reflec­teer) in plaats van beschou­win­gen. Ik blijf ver­bon­den met de rea­li­teit van de wereld en mijn mede­mens en ik raak niet opge­slo­ten in mijn eigen bubbel. 

Als ik goed geoe­fend ben, zie ik  din­gen bui­ten mij die ik niet zie als ik met mezelf bezig ben. Ik kijk niet meer naar bui­ten om te vin­den wat ik zoek, maar om te zien wat er is.

Gevolg: Door mij­zelf uit te druk­ken word ik meer zicht­baar voor ande­ren en leer ik mij­zelf ken­nen door de feed­back van de ander. Ik leer beter te kij­ken naar de expres­sie van ‘dat wat is’.

Artwork by Patrick Dougherty
Patrick Doug­herty - kunst­werk in de tuin van Astrid Lindgren’s geboor­te­huis, Vim­merby, Små­land, Zweden

Voorstel 4: Introduceren van ‘toekomstvaardigheden’

Het con­tact maken met de toe­komst gaat niet door het ver­za­me­len van meer ken­nis en weten.

Onze kijk op onder­wijs is op zich­zelf ook een opvat­ting over leren die sterk is gevormd door hoe wij naar de toe­komst kij­ken. In die opvat­ting heeft leren te maken met een mens voor­be­rei­den op en hel­pen mee­be­we­gen met de wereld zoals we die heb­ben inge­richt. Ster­ker nog is het stand­punt dat eron­der ligt: de toe­komst bestaat uit wat we nog niet geleerd heb­ben en gaan leren door voort te bou­wen op dat wat we al geleerd heb­ben. In die zin bestaat leren dus uit het tot je nemen, op jouw manier, wat we als mens en mens­heid al geleerd heb­ben, het ont­wik­ke­len van een hou­ding om dit te blij­ven doen en er dan op voort te bouwen.

De oude Chi­nese inzich­ten waar­schuw­den ons al voor de mis­vat­tin­gen die hierin beslo­ten lig­gen: we menen dat het ver­za­me­len van wijs­heid de toe­komst maakt, ter­wijl de inzich­ten van de Tao (in tegen­stel­ling tot die van Con­fu­cius) dui­de­lijk maak­ten hoe wijs­heid en toe­komst elkaar uit­slui­ten. Vol­gen we de weg van de wijs­heid, dan kun­nen we niet bij­dra­gen aan de toekomst.

De ‘toe­komst’ die voort­bouwt op wat we geleerd heb­ben is voor­uit­gang en dat bete­kent dat we steeds meer begrij­pen en gebruik­ma­ken van dezelfde inzich­ten. In de opvat­ting van de Tao is dit ver­lengd heden, soms behulp­zaam en soms juist niet. Waar het vol­gens de Tao nu juist om gaat, is dat wij begrij­pen wan­neer we gebruik moe­ten maken van ons ver­mo­gen tot wijs­heid en wan­neer van ons ver­mo­gen tot onwetendheid.

Want de toe­komst wordt nu een­maal gemaakt door dat wat we niet weten, nog niet begrij­pen, wat we nog niet heb­ben gezien en waar we geen flauw idee van heb­ben. Dit zijn aspec­ten van ons leer­ver­mo­gen waar ons hui­dige onder­wijs­sys­teem zich nog maar nau­we­lijks op richt.

En toch zijn er ook veel leer­lin­gen geschikt voor deze manier van leren. 

Te leren waar­ne­men wat nog niet is, wat we nog niet ken­nen, waar onbe­kend­heid en onze­ker­heid een grote rol spe­len, bete­kent op een hele andere manier voor­be­reid wor­den op mens-zijn, maat­schap­pij en wereld.

Het ple­zier in moeite doen voor we iets begrij­pen, hard wer­ken voor­dat je er door­heen bent, vol­ko­men alleen zijn in een land, een gevoel, een gedach­te­gang is een groot goed.

Het kun­nen vol­hou­den ter­wijl je de zin er nog niet van in ziet, het hele­maal anders erva­ren dan de groep, het kun­nen waar­de­ren van de enke­ling: dit alles zijn vaar­dig­he­den die in onze hui­dige cul­tuur sterk zijn onder­ge­waar­deerd en in elk geval onge­oe­fend. En wij heb­ben die vaar­dig­he­den nodig om uit de vast­ge­lo­pen kan­ten van het hui­dige sys­teem te kun­nen stap­pen. En er zijn nogal wat sta­ti­sche menin­gen, die maken dat we steeds weer oplos­sin­gen zoe­ken bin­nen de aan­na­mes van dezelfde kijk op de wereld die de pro­ble­men heeft veroorzaakt.

Men­sen heb­ben geleerd om vol te hou­den bij pro­bleem­op­los­sing, want dan weet je het pro­bleem en werk je toe naar een con­crete oplos­sing. Maar ze heb­ben niet geleerd om vol te hou­den als het niet nut­tig is of doel­loos lijkt, als we niet meer line­air voor­uit kun­nen zien of wan­neer het niet in ons eigen belang is. 

Leren wer­ken met onbe­kend­heid en onze­ker­heid maakt het moge­lijk om echt nieuwe paden te betre­den in plaats van ‘nieuw’ te noe­men wat fei­te­lijk een inno­va­tie van het bestaande is. Daar­voor zul­len we onze onbe­kend­heids- en onze­ker­heids­spie­ren moe­ten trai­nen. En niet te snel te gaan zoe­ken naar de bekende weg en in afwij­zin­gen van wat anders is.

Het bete­kent let­ter­lijk voor docen­ten en onder­wijs­sys­te­men dat de metho­diek, de tech­niek en de inhoud van het leren, op het moment van leren ont­wik­keld moe­ten wor­den. En dat de uit­slag, en waar het toe zal lei­den, pas later in de tijd bekend zal wor­den. Dit leren heeft geen doel, voor­dat het doel zich toont. En dat is voor het nut­tig­heids­prin­cipe (het dient ergens toe, je doet iets zodat het tot resul­taat leidt) van ons school­sys­teem niet gemakkelijk.

Alle men­sen heb­ben deze ‘wijs­heid’- en ‘toekomst’leervermogens, maar ieder heeft een unieke voor­keur. Het hui­dige onder­wijs heeft door zijn natuur een sterke voor­keur voor de ‘wijs­heid’, zowel in de inhoud als in de aan­pak. Er zijn daar­door veel men­sen die bui­ten de boot val­len of hun talen­ten en uniek­heid en zelfs gezond­heid ris­ke­ren door zich toch bin­nen het hui­dige stel­sel te wil­len ontwikkelen.

Het is geen pro­bleem van de leer­lin­gen (en al hun ‘kwa­len’), het is een pro­bleem van onze opvat­ting over de toekomst.

Gevolg: Ik leer wat ik niet weet en kan en wat de ander niet weet en kan, te zien als moge­lijk­heid. Ik leer het onze­kere als een aan­ge­name staat van zijn te ervaren.

Herman Kahn quote Future

Verschijnselen als aanwijzingen in plaats van afwijkingen

Het belang­rijk­ste obsta­kel hier is dat wij onze wijs­heid zo voorop stel­len dat we door de bril van wijs­heid naar de wereld en ons­zelf kij­ken. In plaats van waar te nemen wat er is, leren we onze jonge men­sen om te kij­ken naar wat men wil zien en inter­pre­te­ren we de infor­ma­tie bin­nen de gren­zen van wat we al weten. Iets wat daar­bin­nen niet ver­klaard kan wor­den is al snel onbe­lang­rijk, niet pas­send of een afwij­king. En die afwij­zin­gen zijn nu pre­cies de meest gehoorde klach­ten van leer­lin­gen en stu­den­ten bin­nen ons onderwijsstelsel.

De per­soon­lijke erva­ring van onge­mak, onmo­ge­lijk­heid of onge­zond­heid wordt gezien als een onver­mo­gen van de leer­ling of stu­dent in plaats van als een aan­wij­zing van een een­zij­dig­heid in het sys­teem. En dus rich­ten we alle hulp en steun op aan­pas­sen van het indi­vidu aan het sys­teem, in de vorm van coa­ching en bij­les, labe­ling (als ADD en ADHD) en zelfs medi­ca­tie. We twij­fe­len niet aan de beste bedoe­lin­gen en de vak­kun­dig­heid van deze inter­ven­ties, maar we zijn het niet eens met het wereld­beeld dat erach­ter ligt. Dat zegt name­lijk dat je alleen maar de toe­komst in kan wan­neer je jezelf aan­past aan het sys­teem en haar voor­waar­den. Het­zelfde sys­teem, let wel, welk onder­lig­gend wereld­beeld heeft geleid tot de uit­da­gin­gen waar we nu voor staan.

Het onder­wijs­sys­teem sluit, door de geko­zen grond­slag en gewoon­ten, die­ge­nen uit die andere gaven en vaar­dig­he­den heb­ben dan die ver­wacht wor­den door onze opvat­ting van ont­wik­ke­ling. En aan­ge­zien het onder­wijs slechts een weer­gave is van de maat­schap­pij, zijn de men­sen die zich gemak­ke­lijk inpas­sen ook die­ge­nen die dezelfde basis­uit­gangs­pun­ten in stand hou­den. En daar­door dezelfde of soort­ge­lijke  maat­schap­pe­lijke, eco­no­mi­sche en eco­lo­gi­sche stap­pen voor­uit zet­ten en ver­vol­gens pro­ble­men blij­ven ver­oor­za­ken in het geloof dat zij deze juist hel­pen op te lossen.

Elk mens heeft een andere ingang tot leren. Als je wer­ke­lijk wil dat men­sen zoveel moge­lijk gaan leren dan zul­len ze naast de vaar­dig­heid van het mee­be­we­gen en aan­pas­sen, ook het ver­mo­gen om zich zo min moge­lijk te hoe­ven aan­pas­sen die­nen te oefe­nen. Dat bete­kent dat je mis­schien wel 30 metho­die­ken nodig hebt in een groep stu­den­ten. Geen metho­die­ken die al ont­wik­keld zijn, maar metho­die­ken die, zoals we eer­der al schre­ven, ont­wik­keld wor­den op het moment van leren.

Voor de toe­komst is het van belang dat we de zin zien van onaan­ge­past­heid, weer­stan­den en kwa­len die onze kin­de­ren laten zien: of het nu ADHD is, tele­foon­ver­sla­ving of het niet meer mee wil­len in de maatschappij.

We kun­nen ze als symp­to­men van onge­zond­heid beschou­wen of als aan­wij­zin­gen dat we fun­da­men­teel ander onder­wijs die­nen te geven. Onder­wijs waarin deze afwij­kin­gen juist vaar­dig­he­den blij­ken te zijn en waarin het gedrag van onze kin­de­ren aan­geeft wat een leer­om­ge­ving dient toe te voe­gen aan wat het nu al te bie­den heeft. Onder­wijs pas­send bij wat de toe­komst van ons vraagt en min­der onder­wijs dat meent te weten wat de toe­komst van ons vraagt.

Als je van mening bent dat onder­wijs zeker­heid moet bie­den, blijf dan vooral het hui­dige onder­wijs­sys­teem gebrui­ken en innoveren. 

Als je een leer­om­ge­ving wilt cre­ë­ren waarin geoe­fend wordt met het bij­dra­gen aan de toe­komst, dan faci­li­teer je dat jonge men­sen gemak­ke­lijk met het onze­kere, onbe­kende en het onvoor­spel­bare om kun­nen gaan.

Niet alleen het onder­wijs, maar ook ouders, ver­zor­gers, fami­lie, vrien­den en maat­schap­pe­lijke insti­tu­ties spe­len een heel belang­rijke rol bij het jonge men­sen ver­trouwd hel­pen wor­den met de prin­ci­pes die we hier voorleggen.