Ik begon aan deze blog te schrijven op het treinstation, toen ik al die mensen naar hun schermpjes zag staren. Ik kon alleen maar vol ontzag denken aan het genie van Thomas Friedman, die jaren geleden al concludeerde dat de wereld weer plat is. Terwijl ik mijn blik over de perrons liet glijden, was er maar één conclusie mogelijk: we leven in een platteschermensamenleving. Een tweedimensionale benadering van meer dimensies, en een manier om informatie te interpreteren en op te slaan via slechts twee assen. We zitten gevangen in – of zijn zelfs verslaafd aan – techniek. En met techniek bedoel ik niet alleen technische instrumenten, maar ook de structuren en constructies waarmee we de wereld op een bepaalde manier begrijpen.
Het ligt voor de hand dat het gebruik van een plat scherm op deze manier leidt tot ‘plat-scherm-denken’ en ‘plat-scherm-voelen’, zo niet een ‘plat-scherm-zijn’. Zelfs wanneer het een fysiek object in je hand is, blijft het moeilijk om los te komen van de fascinatie voor zo’n krachtig instrument. Maar zodra het bezit neemt van je geest en je ziel, wordt het zowel een gevaar als een kans.
Het gevaar schuilt erin dat je jouw gestructureerde wereldbeeld, je instrument, je techniek, verwart met de werkelijkheid – in plaats van het te zien als een hulpmiddel om met die werkelijkheid te werken.
Als we die twee met elkaar verwarren, gebeurt er steevast iets vreemds: we raken gefascineerd, gegrepen, verslaafd. We beginnen ons waarnemingsvermogen aan te passen aan het hulpmiddel. Met andere woorden: we gaan informatie vooraf sorteren om deze binnen de parameters van de techniek te laten passen zodra we het niet langer als louter een instrument zien. Dit betekent dat we niet meer helder kunnen waarnemen welke impact onze daden of ons nalaten hebben op onze context, onze organisatie of de wereld als geheel.
De kans dient zich aan wanneer je je bewust bent van je innerlijke en uiterlijke technieken; van de instrumenten die je gebruikt om om te gaan met alle structurele informatie, met alle technische toepassingen en met alle ‘organiseerbare’ feiten. Het is geen vanzelfsprekende vaardigheid om je bewust te zijn van zowel de techniek zelf als van het feit dát je een techniek gebruikt.
Het is niet het platte scherm zelf dat zo’n fascinerende invloed op ons heeft, maar de onderliggende roep uit de toekomst, vertaald in vaardigheden uit het verleden. We durven zelfs te stellen dat deze verslaving aan ons platte scherm, die wereldwijd zo pijnlijk zichtbaar is, voortkomt uit een wezenlijke existentiële impuls: de behoefte om verbonden, uitgedaagd, creatief en van invloed te zijn. Maar helaas raakt deze impuls meestal gevangen in het statische karakter van hoe wij onze dynamische impulsen vertalen naar basisbehoeften.
Dit is, in een notendop, de inhoud van het boek waaraan Markku en ik werken: Hoe komen we van technieken gericht op basisbehoeften naar dynamische vaardigheden?
Basisbehoeften zijn krachtige drijfveren. Ze hebben geleid tot een wereldbeeld en een samenleving die er uitsluitend op zijn ingericht om onze behoeften te bevredigen – van voedsel, onderdak en veiligheid, via begrip, verbondenheid en waardering, tot aan plezier en zelfverwerkelijking. Deze drijfveren waren bedoeld om ons in staat te stellen in onze basisbehoeften te voorzien. Ze gaven ons een structurele, ‘organiseerbare’ of technische kijk op de wereld, omdat dit de meest efficiënte manier was om ons leven en de samenleving in te richten: als een structuur van leveranciers van die basisbehoeften.
Ze hebben ons vooruitgeholpen naar een levenswijze die probeert te voorzien in die behoeften. Niets meer en niets minder, en het heeft ons veel gebracht om trots en dankbaar voor te zijn.
Tegelijkertijd heeft het ons leven volledig verzadigd. Het heeft onze informatie-inname zodanig beïnvloed dat we onze levensstijl en de inrichting van onze samenleving – inclusief onze ‘biologische’ gewoonten – zijn gaan beschouwen als ‘hoe het leven hoort te zijn’.
Het kost moeite om te denken, te voelen en te leven buiten de grenzen van deze op basisbehoeften gerichte wereld die we hebben gecreëerd.
De smartphone is bijna het summum van dit denken: we hebben de hele wereld in onze hand. Het sluit perfect aan bij de ingesleten gewoonte om informatie te verwerken op basis van verwerven, bezitten en beheersen; grip krijgen door het in een model of mal te gieten. Het heeft ons een structureel begrip van het leven en de natuur gegeven. Op zichzelf een prachtige prestatie.
Het probleem ontstaat wanneer dit structurele en technische begrip wordt verward met fundamenteel en existentieel begrip.
Is het je wel eens opgevallen dat alle technische ontwerpen van nature statisch zijn? En dat wij ons aan hen moeten aanpassen in plaats van andersom? Heb je gemerkt dat je jouw waarnemingen moet vertalen naar de parameters van een managementinformatiesysteem, waardoor de vitale elementen van je waarneming verloren gaan? De meeste frustratie die ik in organisaties of in de samenleving zie, komt voort uit dit dwingende karakter van structuren, programma’s, schema’s, wetten en kaders, simpelweg omdat ze statisch zijn. Ze zijn niet in staat zich aan te passen aan de dynamiek van het leven en de veelzijdigheid en uniciteit van de mens.
Dit is allemaal te wijten aan de statische tendens in de drijfveren van onze basisbehoeften. Deze tendens ligt verankerd in de wortels van alles wat we vanuit deze mindset creëren, inclusief technologie. Controle over de hulpbronnen van het leven is immers de beste manier gebleken om een constante stroom van basisbehoeften te garanderen.
Als we dit echter in een breder perspectief plaatsen, zien we hoe deze controlerende, gestructureerde manier van leven haar grenzen bereikt. Hoe komt dat?
Statische innerlijke en uiterlijke activiteit heeft de neiging voorspelbaar, stereotiep en archetypisch te worden, omdat alle ideeën en innovaties voortkomen uit diezelfde statische bron (het idee dat de wereld er is om te worden geëxploiteerd). Wanneer de bron van innovatie en creativiteit in de kern onveranderd blijft, brengt zij resultaten voort met vergelijkbare effecten. Toch kan een nieuw idee ons het gevoel geven dat we de situatie meester zijn, dat we plezier hebben, de controle hebben en zelfs voorop lopen met de allernieuwste technologie. De teleurstelling is groot wanneer dit een illusie blijkt te zijn die niet standhoudt, en soms is het een schok wanneer de onvoorziene neveneffecten veel groter blijken dan gedacht.
We moeten eerlijk durven toegeven dat een wereldbeeld gebaseerd op basisbehoeften niet in staat is om een heel levend systeem te overzien. De drijfveren achter onze basisbehoeften zijn door de evolutie gevormd om de hulpbronnen van de aarde te gebruiken; ze zijn niet toegerust voor rentmeesterschap.
Dit klinkt misschien als een afwijzing van moderne technologie of techniek, maar dat is het niet. Want als er een werkelijk dynamische bron onder ligt, wordt bijvoorbeeld een smartphone een uiterst krachtig instrument voor verandering. Techniek en het technische wereldbeeld horen thuis in het tijdperk van de basisbehoeften en het werkt uitstekend als het de basisbehoeften van iedereen dient. Ons technisch-wetenschappelijke begrip van de wereld zou wel eens het juiste platform kunnen zijn om onze volgende stap te ondersteunen.
Voor de mens, en voor de wereld als geheel, is het tijdperk van de basisbehoeften een fase in de dans waarin we de combinatie van twee scheppende krachten leren beheersen: samenhang (correlatie) en differentiatie. Om de volgende danspassen te leren, moeten we de kunst van de levensdynamiek en van dynamische, levende systemen onder de knie krijgen. Iets wat ons van nature eigenlijk heel gemakkelijk afgaat.
Tegelijkertijd hebben we veel angst en onzekerheid gezien wanneer we mensen in organisaties stimuleerden om al deze structuren, overtuigingen en ‘zekerheden in het leven’ los te laten. Ze gingen nog net over tot ‘spelen’ om nieuwe informatie te ontdekken, omdat dit geen directe consequenties had. Maar het inbedden van deze nieuw geleerde informatie of vaardigheid in een bestaand systeem of structuur is een heel ander verhaal.
Vooral structuren, organisaties of technische systemen hebben moeite met de dynamiek van informatie en de dynamiek van het leven. Deze verschilt namelijk fundamenteel van onze huidige neiging om al onze waarnemingen op te knippen in statische beelden, structuren, overtuigingen en persoonlijk gewin. Het prettige is dat al die statische informatie ons relatieve veiligheid, zekerheid en welvaart heeft gebracht. We zijn eraan gewend geraakt; het is iets van waarde geworden dat we willen verdedigen.
We moeten ook eerlijk zijn over de verwoestende impact die onze levensstijl heeft op onze planeet en onze medeschepselen. Zelfs wanneer we geconfronteerd worden met de harde cijfers van onze impact, blijft het hardnekkige geloof bestaan dat juist de levensstijl en de producten die deze problemen hebben veroorzaakt, ze uiteindelijk ook weer zullen oplossen. Elk idee, elke uitvinding of elk plan kan immers alleen datgene creëren of vernieuwen waar het zelf op gebaseerd is, waarin het gelooft. En ons huidige wereldbeeld is er sterk op gericht de wereld te zien als een hulpbron voor ons eigen welzijn. Veel ‘innovaties’ die worden gedreven door de angst voor toekomstige tekorten, blijven de wereld of medemensen zien als een exploitatiemiddel voor het gewin van het individu of de eigen groep.
Het is pijnlijk om te zien hoe eigenbelang – of collectief eigenbelang – uiterst dwingend en schadelijk kan zijn door vast te houden aan verworven rechten en privileges, te handelen binnen de grenzen van de wet, anderen de schuld te geven en allerlei argumenten aan te dragen om vooral statisch te blijven. En het is nog indrukwekkender om te zien hoe verslavend een overvloed aan basisbehoeften is, en hoe ontwrichtend een tekort eraan is geworden.
De vraag naar de toekomst toe zal zijn: Zijn de daden die je stelt of nalaat, louter gebaseerd op motieven van basisbehoeften, nog wel voldoende? We denken dat we iets moeten vinden dat dichter bij ons wezen ligt, iets fundamentelers. Wat is dit ‘fundamentelere’?
De meeste mensen willen uit de grond van hun hart het goede doen. Vanuit die goedheid ontstaat de werkelijke existentiële impuls om verbonden, uitgedaagd, creatief en van invloed te zijn. Waarom? Ze willen bijdragen; als ze niet werden belemmerd door de zorgen en verplichtingen van hun basisbehoeften, zouden ze dat ook doen. Als ze een ander perspectief op het leven hadden, zouden ze in actie komen.
Nauwkeuriger gezegd: in onze huidige levensstijl wordt de impuls om verbonden, uitgedaagd, creatief en invloedrijk te zijn, overschaduwd door onze vaardigheden gericht op basisbehoeften. We zijn getraind in voorspelbare controle en gescript gedrag om überhaupt te kunnen handelen. Als de informatie complexer is, te veel, onbekend of diepgaand, reageren we meestal met nóg meer controle en dwang. Alles is gestroomlijnd en gestructureerd: hoe meer we organiseren met technologie en een technische mindset, hoe meer verplichtingen en aansprakelijkheden we lijken te hebben. Veruit de meesten van ons zijn, terwijl ze op een station naar hun telefoon staren, druk met de verplichtingen van genot, zelfverwerkelijking of simpelweg overleven. Wij als mens zijn tot zoveel meer in staat.

Een vriend van mij bezocht een school om hun ‘methodiek’ voor wiskunde te observeren, omdat ze zulke uitstekende resultaten behaalden. De leerlingen hielden zich bezig met breuken. Hun opdracht luidde als volgt: Je hebt zeven eetstokjes (chopsticks). Verdeel deze op een vriendelijke manier over twee personen. Je moet de oplossing binnen je werkgroep vinden en een presentatie geven over hoe jullie groep tot dit antwoord is gekomen.
Mijn vriend was verbaasd over de moeilijkheidsgraad van de taak, aangezien het om jonge kinderen ging. En eerlijk gezegd was hij geïrriteerd door de toevoeging “op een vriendelijke manier”, wat hij uiterst subjectief vond, en door het feit dat er geen enkele aanwijzing was gegeven over de tijd of de vorm waarin ze hun antwoord moesten presenteren.
Maar de leerlingen leken er geen last van te hebben; ze werkten actief en met volle aandacht.
Ook mijn vriend moest hard aan het werk. Hij vertelde dat hij voortdurend afstand moest nemen van al zijn eigen ideeën over onderwijs door wat hij daar zag gebeuren: iets wat hij later omschreef als actief leren. Hij merkte ook op dat de leraren niets deden om te helpen, maar wel uiterst attent en opmerkzaam toekeken. Zelfs toen hij duidelijk zag dat één groepje er niet uitkwam, lieten de leraren de jongens en meisjes begaan en worstelen.
Wat betreft de presentaties zei mijn vriend later dat dit voor hem het beslissende moment was om het verschil te begrijpen tussen leren en onderwijzen.
Dit waren de oplossingen waar de kinderen mee kwamen:
- Geef ieder drie stokjes, maar het vierde stokje krijg je om de week.
- Geef ieder drie stokjes en geef het zevende weg.
- Zorg dat je er nog een stokje bij krijgt.
- Je hebt eigenlijk maar twee stokjes nodig om te eten, dus laat die andere drie maar liggen.
- En natuurlijk: breek het zevende stokje doormidden.
Er moet wel bij worden gezegd dat die laatste oplossing door de meeste kinderen niet werd goedgekeurd, want met een half stokje kun je immers niet eten.
En toen zei de leraar iets diepzinnigs: “Dat is waar, maar we gebruiken breuken in de rekenkunde als we het geheel in stukken moeten breken om er iets mee te kunnen doen. Je kunt het dan op een andere manier delen of samenvoegen. Voor sommige dingen werkt dat wel, en voor andere niet. Soms is het dus een handig hulpmiddel. Kun je mij een voorbeeld geven van iets wat je kunt opbreken om te gebruiken?” En later: “En hoe voeg je het op een andere manier weer samen?”
Je kunt je de antwoorden wel voorstellen. Mijn vriend vond dit uitstekend onderwijs. Maar het was nog niet klaar, want nu moesten de groepen vertellen hoe ze tot hun antwoord waren gekomen. Die korte reflecties van de kinderen over hun gezamenlijke denkproces waren prachtig, zei hij: “Ik wist voorheen niet dat kinderen zo opmerkzaam waren.”
Het werd duidelijk dat de worstelende groep, die uiteindelijk met het doormidden breken van het stokje was gekomen, helemaal geen proces van collectieve intelligentie had doorgemaakt. Eén jongen wist al hoe breuken werkten, vertelde de anderen dat dit het antwoord was en liet weinig ruimte voor alternatieven.
De leraar vroeg aan elke groep: “Wat heb je geleerd?”
Onderling hadden ze veel geleerd over de principes van ‘breuken’ en ‘geheel’, van toewijzen en samenvoegen. Dat creëerde de opening om de techniek te leren, zo concludeerde mijn vriend. De worstelende groep begon allerlei sociaal-emotionele aspecten te benoemen. “Het werd mij heel duidelijk dat er wel degelijk werd geleerd, maar niet over breuken,” zei mijn vriend toen hij er aan het eind van de dag met de leraren over nrakste. Maar een van hen zei lachend dat dat in dit geval juist wel zo was, omdat de groep was ‘gebroken’ (to fraction). Ik vond dat een heel treffend begrip van het bewustzijn van het geheel, maar mijn vriend vond het wat vergezocht. Hij had enorm genoten van het schoolbezoek en het veranderde zijn hele kijk op onderwijs. “Ik moest mezelf echt opnieuw uitvinden,” zei hij. “Ze boden op de een of andere manier fundamenteel leren aan.”
Het inzicht van mijn vriend was: Je moet in staat zijn te leren, voordat je onderwezen kunt worden. Waarbij leren altijd een actieve handeling is van de lerende die zich verbindt met de principes van datgene wat geleerd kan worden. Ik ken heel wat scholen die dit principe beginnen te verkennen, en het Finse onderwijssysteem heeft dit bijvoorbeeld grotendeels omarmd. Natuurlijk stimuleert een geboren leraar het leren op elk moment, maar het grootste deel van ons onderwijssysteem is gericht op onderwijzen (lesgeven), omdat dat het enige is wat je kunt meten met technieken zoals examens. Het is bovendien meestal gericht op onderwijzen om te voldoen aan de formats en mallen van onze huidige samenleving, meer specifiek onze economie. De economie: een puur product van het denken en geloven in basisbehoeften. In haar huidige vorm staat ze zo ver af van haar wezenlijke aard, dat ze de schade niet ziet van het gebruiken van de hulpbronnen van allen ten gunste van enkelen.
Dit is een goed voorbeeld van hoe het verliezen van de verbinding met de wortels van de dingen altijd, zonder uitzondering, een schadelijke impact heeft ergens in het systeem. Het gebeurt wanneer we de technische kant van een fenomeen accepteren als ‘de reden waarom het bestaat’, omdat we niet hebben geleerd ons te verbinden met de diepere betekenis en het doel van economie.
De meesten van ons zijn gewend onderwijs te zien als een (economische) hulpbron om een plek te veroveren in de wereld zoals die is. Het levert goede resultaten op, blinkt zelfs uit in een systeem dat gedomineerd wordt door criteria van basisbehoeften. We maken gebruik van wat we als samenleving hebben opgebouwd, waarvan het overgrote deel nog steeds gebaseerd is op wat de wereld ons schenkt.
Maar in de afgelopen decennia beginnen we langzaam de impact te zien van deze mindset – de wereld louter gebruiken als hulpbron – achter ons onderwijssysteem op de samenleving en de planeet. Om bij te dragen aan de wereld, om ermee samen te werken als partner, is leren noodzakelijk.
Mijn inzicht na het horen van het verhaal over de eetstokjes was: Voordat je een techniek kunt gebruiken, moet je verbinding hebben met de principes, de geest erachter, waarop de techniek is gebaseerd. Het maakt niet uit of dit nu wiskunde is, een smartphone, de economie of een projectmanagementtool. Technieken kunnen je alleen als hulpmiddel dienen als je je eigen verbinding hebt met de wortels en principes die het instrument hebben voortgebracht. Niet hoe het is gemaakt, maar waarom het is gemaakt.
Mijn wezen moet verbonden zijn met de diepere betekenis achter het denken dat de techniek heeft voortgebracht, om deze op een bevrijdende manier te kunnen gebruiken. Ik weet dat dit voor onze vaardigheden gericht op basisbehoeften een uiterst abstracte zin is; we willen een voorbeeld, we willen uitleg, we willen goed onderwijs… Maar voor onze dynamische vaardigheden is het een mooie oefening. Leren activeert namelijk een heel ander deel van onszelf dan het deel dat we gebruiken wanneer we onderwezen worden.
Hoe dan ook, begrip van het wezen van de dingen is geen vaststaande, feitelijke kennis (zoals het begrijpen van een hulpmiddel dat is); het is een constant, dynamisch leren. Maar als we geen individuele verbinding hebben met de wortels van een techniek, is het niet ongewoon dat we onszelf verliezen in de macht en de dwingende kracht van technieken. Veel experts worstelen hiermee. We worden er afhankelijk van en soms zelfs aan verslaafd, met alle herkenbare symptomen van dien. De techniek gebruikt ons. We worden onze techniek, en daarin ligt geen toekomst. Er is geen weg uit een plat scherm als je er eenmaal in gevangen zit.
Het belang van het verschil tussen onderwijzen en leren kan niet genoeg worden benadrukt. Onderwijzen is meestal het gecondenseerde resultaat van leren uit het verleden, zonder de oorspronkelijke waarnemingen en de individuele relatie met de bron van dat leren. Je kunt zoveel onderwijsinformatie in je opnemen als je aankunt, mits je ook in staat bent te leren: dat wil zeggen, de informatie te verbinden met haar oorspronkelijke betekenis.
We moeten een sterk besef behouden van de betekenis van zowel onszelf als van de informatie, om niet overweldigd te worden door de dwingende invloed die technische systemen – zoals overheden, instituten, onze kijk op het leven, de ‘controle’ over de natuur, enzovoort – op ons uitoefenen. Leren begint altijd met het gebruiken van onze zintuigen en het vervolgens verwerken van die informatie. Als er alleen maar sprake is van onderwijzen, in de trant van: “dit is hoe we de dingen doen”, “dit is hoe het werkt”, of vanuit een technische motivatie zoals: “dit moet je nu eenmaal doen” of “dit is hoe het systeem nu eenmaal werkt, ik kan er ook niets aan doen”, dan ontwikkelen we geen enkel gevoel van verbondenheid met de impact van wat we wel of niet doen. We hebben het effect simpelweg niet waargenomen en daarom kunnen we het niet begrijpen in de zin dat het invloed op ons heeft. We kunnen erover nadenken, maar dat betekent nog niet dat we de impact ervan op ons ‘zijn’ begrijpen.
Denken is de prachtige eigenschap die ons in staat stelt de gegevens van een leerervaring te gebruiken in andere, soortgelijke situaties (net zoals voelen dat doet met relaties). Echter, als we geen initiële leerervaring hebben, of als we een ervaring toepassen in een totaal onvergelijkbare situatie, maakt ons dat kwetsbaar voor de verleidingskracht van technieken. Ons handelen of nalaten wordt abstract, de impact heeft geen individuele betekenis voor mij, en daden worden uitsluitend nog gemotiveerd door persoonlijk gewin, groepsbelang of organisatorisch voordeel.
Leren is de vaardigheid om je te verbinden met het ‘zijn’ van alles wat is, zodat er een gezond evenwicht kan ontstaan tussen het beheersen van de kunst van het leren en de technieken die worden onderwezen. Onderwijzen gaat over technieken. Leren gaat over waar de dingen vandaan komen, wat de onderliggende principes zijn en waarom mensen ze zijn gaan gebruiken. Onderwijzen kan door leraren worden gedaan. Leren doe ik zelf, geprikkeld door verbindingen, uitdagingen, creativiteit en invloed.
Het gevolg van te weinig leren is dat technieken vaak worden verward met onomstotelijke feiten, met waarheden, met “zo is het nu eenmaal”, in plaats van “dit is ons huidige hulpmiddel om met de werkelijkheid om te gaan”. Dat is een heel groot verschil. Want als we een techniek zien als een hulpmiddel, is het er om ons in elke gegeven situatie te dienen; het kan veranderen, zich aanpassen, of we kunnen iets heel anders gebruiken als dat effectiever is.
Als het geen hulpmiddel is maar een vaststaand feit van het leven, een feit van het ‘zijn’, dan moet ik me aanpassen, dan moet ik ermee leren werken, me ermee verbinden en het doel ervan door me heen laten stromen. Bijvoorbeeld:
- Differentiatie is een levensfeit, hiërarchie is een techniek;
- Waarneming is een levensfeit, kennis is een hulpmiddel;
- Creatieve dynamiek is een levensfeit, religie is een methodologie;
- Liefde is een levensfeit, verliefd zijn is een hulpmiddel;
- Balans is een levensfeit, boekhouden is een hulpmiddel;
- Samenhang (correlatie) is een levensfeit, een relatie is een techniek;
- Evenwicht is een levensfeit, wetten zijn een methodologie;
- Harmonie is een levensfeit, wiskunde (calculus) is een techniek;
- Individueel zijn is een levensfeit, zelfverwerkelijking is een methodologie, enzovoort.
Het verbinden met dit ‘zijn’ en deze betekenissen is een vloeiend, voortdurend veranderend proces. We zijn er eigenlijk heel goed in, als we onszelf toestaan in deze dynamiek te stappen.
Het is echter niet vrijblijvend. Als we procedures, regels, systemen en orders opvolgen terwijl de werkelijkheid in feite om iets anders vraagt, verminderen we ons vermogen om met dynamische situaties om te gaan. Meestal beginnen we een afkeer te krijgen van dynamiek en plaatsen we het in de hoek van overleven, waar veranderingen gevaarlijk zijn en verschillende of onbekende dingen potentieel schadelijk kunnen zijn.
Regels, methodologieën, structuren of procedures zijn ontworpen om te handelen, voelen and denken binnen een bepaald, vooraf vastgesteld en meestal tweedimensionaal kader. In zo’n benadering van het leven worden alle dynamische elementen ingekaderd en vastgezet om in een statisch begrip te passen. Ze zijn niet ontworpen of uitgerust om met een dynamische situatie om te gaan. Of we het nu leuk vinden of niet: wennen aan een zeer gestructureerde levensstijl die weinig verbinding heeft met de fijngevoelige en onderling verbonden dynamiek van het leven, is schadelijk voor onszelf en voor anderen.
Maar deze diepere ’triple-loop’-feiten zijn moeilijk waar te nemen in een gestructureerd wereldbeeld, waarin alle informatie is gereduceerd tot lineair oorzaak-en-gevolgdenken. In een ‘single-loop’-wereldbeeld ben ik gewend pas in actie te komen als de verandering mijn statische status direct bedreigt.
We zouden onszelf oprecht de vraag moeten stellen: wat is het effect geweest van het opleggen van een statische mentaliteit aan het dynamische, interactieve natuurlijke systeem van onze planeet? Wij zijn immers de soort die in staat is informatie door te geven met woorden en symbolen, waardoor we voorbij ervaring en instinct konden gaan. Deze gave gaf ons de instrumenten om het leven te plannen, en dat hebben we gedaan in overeenstemming met onze basisbehoeften.
Vooruitgang is over een lange periode gemarkeerd door technische innovatie om ons te helpen floreren. We zien deze ontwikkeling hand in hand gaan met het beheersen van onze basisbehoeften. Een periode die ook wordt gekenmerkt door de schaduwzijde van de techniek, die duidelijker zichtbaar werd naarmate onze technische kennis toenam. Het is een typisch, door basisbehoeften gedreven geloof dat de volgende generatie mensen of technologie de problemen zal oplossen die de vorige generatie mensen en technieken heeft gecreëerd. En dat ondanks het feit dat de afgelopen eeuwen precies het tegenovergestelde hebben laten zien. Dit is hoe we de toekomst zien: een projectie van de opgeloste problemen van vandaag in een moeiteloos paradijs van plezier en persoonlijk welzijn. Dit geloof maakt het moeilijk te accepteren dat onze planeet ons vraagt onze kijk op het leven en op de wereld als louter een leverancier van basisbehoeften te veranderen. Met ons gaat het prima. Technologie heeft ons de vervulling van onze basisbehoeften gebracht en biedt de mogelijkheid om voorbij de grenzen ervan te leren, mits we ons doel verleggen.
Alle problemen ontstaan omdat het simpelweg niet in het bewustzijn van het basisbehoeftensysteem ligt om eerlijk te delen, om de volgende stap te zetten weg van puur persoonlijk gewin, of om onze statische levensstijl te veranderen in een dynamische.
Met de wereld gaat het niet goed; onze mede-diersoorten en het systeem dat ons ondersteunt, verkeren in zwaar weer.
Technologie kan ons in de toekomst wellicht bevrijden van de verplichtingen van het voorzien in basisbehoeften, mits we haar vermenselijken. Onze huidige kijk op techniek kan ons nooit in de volgende fase van ons menselijk bestaan brengen, welke verlangens en fascinaties we ook op onze instrumenten projecteren. Evenmin kan het de schaduwzijden van dwang en verslaving verminderen, omdat het gebruikmaakt van het paradigma van de basisbehoefte, waarvan het grondbeginsel is: de wereld is onze ‘oneindige’ hulpbron, zij voorziet en zorgt voor ons.
Maar als we onszelf gaan zien als de hulpbron, als we de dynamische vaardigheden leren beheersen die we nu al op bescheiden schaal gebruiken – maar dan veel actiever en bewuster – dan kunnen onze vermogens als individuen en als slimme collectieven de stap zetten uit de verplichtingen van de basisbehoeften en de schaduweffecten daarvan.
De vaardigheden om de bron van ons rentmeesterschap te worden, omvatten onder meer:
- Bewustzijn van de impact van onze daden en ons nalaten op het geheel (wat dragen we bij?);
- Bewustzijn van de schoonheid van het evenwicht van ons bestaan (hebben we eerlijk gedeeld?);
- Bewustzijn van het levende element in de vormen en structuren die we maken (bieden ze kwaliteit van leven?);
- Bewustzijn van moeiteloosheid en rust (geven onze acties vrijheid en ruimte om te zijn?).
Stel je eens voor welk transformerend effect deze vaardigheden zouden hebben op onze technische capaciteit en ontwerpen.
Het leren van deze vaardigheden om klaar te zijn voor onze volgende taak – het zorg dragen voor de wereld en al het leven daarop – is een bemoedigend en energiek perspectief.
De wereld is niet langer plat; zij schenkt ons al eeuwenlang een driedimensionaal bewustzijn.
De magische tederheid die we koesteren voor onze technische prestaties kan ons terugbrengen tot tweedimensionale plat-schermwezens, óf we kunnen de stap zetten om verbonden, uitgedaagd, creatief en van invloed te zijn door de betekenis achter die ontwerpen te leren begrijpen. Het zou ons toegang geven tot informatie van een vierde dimensie: de toekomst.
Verbinding maken met de toekomst is aan ons.

