Ik begon aan deze blog te schrij­ven op het trein­sta­tion, toen ik al die men­sen naar hun scherm­pjes zag sta­ren. Ik kon alleen maar vol ont­zag den­ken aan het genie van Tho­mas Fried­man, die jaren gele­den al con­clu­deerde dat de wereld weer plat is. Ter­wijl ik mijn blik over de per­rons liet glij­den, was er maar één con­clu­sie moge­lijk: we leven in een plat­te­scher­men­sa­men­le­ving. Een twee­di­men­si­o­nale bena­de­ring van meer dimen­sies, en een manier om infor­ma­tie te inter­pre­te­ren en op te slaan via slechts twee assen. We zit­ten gevan­gen in – of zijn zelfs ver­slaafd aan – tech­niek. En met tech­niek bedoel ik niet alleen tech­ni­sche instru­men­ten, maar ook de struc­tu­ren en con­struc­ties waar­mee we de wereld op een bepaalde manier begrijpen.

Het ligt voor de hand dat het gebruik van een plat scherm op deze manier leidt tot ‘plat-scherm-den­ken’ en ‘plat-scherm-voe­len’, zo niet een ‘plat-scherm-zijn’. Zelfs wan­neer het een fysiek object in je hand is, blijft het moei­lijk om los te komen van de fas­ci­na­tie voor zo’n krach­tig instru­ment. Maar zodra het bezit neemt van je geest en je ziel, wordt het zowel een gevaar als een kans.

Het gevaar schuilt erin dat je jouw gestruc­tu­reerde wereld­beeld, je instru­ment, je tech­niek, ver­wart met de wer­ke­lijk­heid – in plaats van het te zien als een hulp­mid­del om met die wer­ke­lijk­heid te werken.

Als we die twee met elkaar ver­war­ren, gebeurt er stee­vast iets vreemds: we raken gefas­ci­neerd, gegre­pen, ver­slaafd. We begin­nen ons waar­ne­mings­ver­mo­gen aan te pas­sen aan het hulp­mid­del. Met andere woor­den: we gaan infor­ma­tie vooraf sor­te­ren om deze bin­nen de para­me­ters van de tech­niek te laten pas­sen zodra we het niet lan­ger als lou­ter een instru­ment zien. Dit bete­kent dat we niet meer hel­der kun­nen waar­ne­men welke impact onze daden of ons nala­ten heb­ben op onze con­text, onze orga­ni­sa­tie of de wereld als geheel.

De kans dient zich aan wan­neer je je bewust bent van je inner­lijke en uiter­lijke tech­nie­ken; van de instru­men­ten die je gebruikt om om te gaan met alle struc­tu­rele infor­ma­tie, met alle tech­ni­sche toe­pas­sin­gen en met alle ‘orga­ni­seer­bare’ fei­ten. Het is geen van­zelf­spre­kende vaar­dig­heid om je bewust te zijn van zowel de tech­niek zelf als van het feit dát je een tech­niek gebruikt.

Het is niet het platte scherm zelf dat zo’n fas­ci­ne­rende invloed op ons heeft, maar de onder­lig­gende roep uit de toe­komst, ver­taald in vaar­dig­he­den uit het ver­le­den. We dur­ven zelfs te stel­len dat deze ver­sla­ving aan ons platte scherm, die wereld­wijd zo pijn­lijk zicht­baar is, voort­komt uit een wezen­lijke exis­ten­ti­ële impuls: de behoefte om ver­bon­den, uit­ge­daagd, cre­a­tief en van invloed te zijn. Maar helaas raakt deze impuls meestal gevan­gen in het sta­ti­sche karak­ter van hoe wij onze dyna­mi­sche impul­sen ver­ta­len naar basisbehoeften.

Dit is, in een noten­dop, de inhoud van het boek waar­aan Markku en ik wer­ken: Hoe komen we van tech­nie­ken gericht op basis­be­hoef­ten naar dyna­mi­sche vaardigheden?

Basis­be­hoef­ten zijn krach­tige drijf­ve­ren. Ze heb­ben geleid tot een wereld­beeld en een samen­le­ving die er uit­slui­tend op zijn inge­richt om onze behoef­ten te bevre­di­gen – van voed­sel, onder­dak en vei­lig­heid, via begrip, ver­bon­den­heid en waar­de­ring, tot aan ple­zier en zelf­ver­wer­ke­lij­king. Deze drijf­ve­ren waren bedoeld om ons in staat te stel­len in onze basis­be­hoef­ten te voor­zien. Ze gaven ons een struc­tu­rele, ‘orga­ni­seer­bare’ of tech­ni­sche kijk op de wereld, omdat dit de meest effi­ci­ënte manier was om ons leven en de samen­le­ving in te rich­ten: als een struc­tuur van leve­ran­ciers van die basisbehoeften.

Ze heb­ben ons voor­uit­ge­hol­pen naar een levens­wijze die pro­beert te voor­zien in die behoef­ten. Niets meer en niets min­der, en het heeft ons veel gebracht om trots en dank­baar voor te zijn.

Tege­lij­ker­tijd heeft het ons leven vol­le­dig ver­za­digd. Het heeft onze infor­ma­tie-inname zoda­nig beïn­vloed dat we onze levens­stijl en de inrich­ting van onze samen­le­ving – inclu­sief onze ‘bio­lo­gi­sche’ gewoon­ten – zijn gaan beschou­wen als ‘hoe het leven hoort te zijn’.

Het kost moeite om te den­ken, te voe­len en te leven bui­ten de gren­zen van deze op basis­be­hoef­ten gerichte wereld die we heb­ben gecreëerd.

De smartphone is bijna het sum­mum van dit den­ken: we heb­ben de hele wereld in onze hand. Het sluit per­fect aan bij de inge­sle­ten gewoonte om infor­ma­tie te ver­wer­ken op basis van ver­wer­ven, bezit­ten en beheer­sen; grip krij­gen door het in een model of mal te gie­ten. Het heeft ons een struc­tu­reel begrip van het leven en de natuur gege­ven. Op zich­zelf een prach­tige prestatie.

Het pro­bleem ont­staat wan­neer dit struc­tu­rele en tech­ni­sche begrip wordt ver­ward met fun­da­men­teel en exis­ten­ti­eel begrip.

Is het je wel eens opge­val­len dat alle tech­ni­sche ont­wer­pen van nature sta­tisch zijn? En dat wij ons aan hen moe­ten aan­pas­sen in plaats van andersom? Heb je gemerkt dat je jouw waar­ne­min­gen moet ver­ta­len naar de para­me­ters van een mana­ge­ment­in­for­ma­tie­sys­teem, waar­door de vitale ele­men­ten van je waar­ne­ming ver­lo­ren gaan? De meeste frus­tra­tie die ik in orga­ni­sa­ties of in de samen­le­ving zie, komt voort uit dit dwin­gende karak­ter van struc­tu­ren, programma’s, schema’s, wet­ten en kaders, sim­pel­weg omdat ze sta­tisch zijn. Ze zijn niet in staat zich aan te pas­sen aan de dyna­miek van het leven en de veel­zij­dig­heid en uni­ci­teit van de mens.

Dit is alle­maal te wij­ten aan de sta­ti­sche ten­dens in de drijf­ve­ren van onze basis­be­hoef­ten. Deze ten­dens ligt ver­an­kerd in de wor­tels van alles wat we van­uit deze mind­set cre­ë­ren, inclu­sief tech­no­lo­gie. Con­trole over de hulp­bron­nen van het leven is immers de beste manier geble­ken om een con­stante stroom van basis­be­hoef­ten te garanderen.

Als we dit ech­ter in een bre­der per­spec­tief plaat­sen, zien we hoe deze con­tro­le­rende, gestruc­tu­reerde manier van leven haar gren­zen bereikt. Hoe komt dat?

Sta­ti­sche inner­lijke en uiter­lijke acti­vi­teit heeft de nei­ging voor­spel­baar, ste­reo­tiep en arche­ty­pisch te wor­den, omdat alle ideeën en inno­va­ties voort­ko­men uit die­zelfde sta­ti­sche bron (het idee dat de wereld er is om te wor­den geëx­ploi­teerd). Wan­neer de bron van inno­va­tie en cre­a­ti­vi­teit in de kern onver­an­derd blijft, brengt zij resul­ta­ten voort met ver­ge­lijk­bare effec­ten. Toch kan een nieuw idee ons het gevoel geven dat we de situ­a­tie mees­ter zijn, dat we ple­zier heb­ben, de con­trole heb­ben en zelfs voorop lopen met de aller­nieuw­ste tech­no­lo­gie. De teleur­stel­ling is groot wan­neer dit een illu­sie blijkt te zijn die niet stand­houdt, en soms is het een schok wan­neer de onvoor­ziene neven­ef­fec­ten veel gro­ter blij­ken dan gedacht.

We moe­ten eer­lijk dur­ven toe­ge­ven dat een wereld­beeld geba­seerd op basis­be­hoef­ten niet in staat is om een heel levend sys­teem te over­zien. De drijf­ve­ren ach­ter onze basis­be­hoef­ten zijn door de evo­lu­tie gevormd om de hulp­bron­nen van de aarde te gebrui­ken; ze zijn niet toe­ge­rust voor rentmeesterschap.

Dit klinkt mis­schien als een afwij­zing van moderne tech­no­lo­gie of tech­niek, maar dat is het niet. Want als er een wer­ke­lijk dyna­mi­sche bron onder ligt, wordt bij­voor­beeld een smartphone een uiterst krach­tig instru­ment voor ver­an­de­ring. Tech­niek en het tech­ni­sche wereld­beeld horen thuis in het tijd­perk van de basis­be­hoef­ten en het werkt uit­ste­kend als het de basis­be­hoef­ten van ieder­een dient. Ons tech­nisch-weten­schap­pe­lijke begrip van de wereld zou wel eens het juiste plat­form kun­nen zijn om onze vol­gende stap te ondersteunen.

Voor de mens, en voor de wereld als geheel, is het tijd­perk van de basis­be­hoef­ten een fase in de dans waarin we de com­bi­na­tie van twee schep­pende krach­ten leren beheer­sen: samen­hang (cor­re­la­tie) en dif­fe­ren­ti­a­tie. Om de vol­gende dans­pas­sen te leren, moe­ten we de kunst van de levens­dy­na­miek en van dyna­mi­sche, levende sys­te­men onder de knie krij­gen. Iets wat ons van nature eigen­lijk heel gemak­ke­lijk afgaat.

Tege­lij­ker­tijd heb­ben we veel angst en onze­ker­heid gezien wan­neer we men­sen in orga­ni­sa­ties sti­mu­leer­den om al deze struc­tu­ren, over­tui­gin­gen en ‘zeker­he­den in het leven’ los te laten. Ze gin­gen nog net over tot ‘spe­len’ om nieuwe infor­ma­tie te ont­dek­ken, omdat dit geen directe con­se­quen­ties had. Maar het inbed­den van deze nieuw geleerde infor­ma­tie of vaar­dig­heid in een bestaand sys­teem of struc­tuur is een heel ander verhaal.

Vooral struc­tu­ren, orga­ni­sa­ties of tech­ni­sche sys­te­men heb­ben moeite met de dyna­miek van infor­ma­tie en de dyna­miek van het leven. Deze ver­schilt name­lijk fun­da­men­teel van onze hui­dige nei­ging om al onze waar­ne­min­gen op te knip­pen in sta­ti­sche beel­den, struc­tu­ren, over­tui­gin­gen en per­soon­lijk gewin. Het pret­tige is dat al die sta­ti­sche infor­ma­tie ons rela­tieve vei­lig­heid, zeker­heid en wel­vaart heeft gebracht. We zijn eraan gewend geraakt; het is iets van waarde gewor­den dat we wil­len verdedigen.

We moe­ten ook eer­lijk zijn over de ver­woes­tende impact die onze levens­stijl heeft op onze pla­neet en onze mede­schep­se­len. Zelfs wan­neer we gecon­fron­teerd wor­den met de harde cij­fers van onze impact, blijft het hard­nek­kige geloof bestaan dat juist de levens­stijl en de pro­duc­ten die deze pro­ble­men heb­ben ver­oor­zaakt, ze uit­ein­de­lijk ook weer zul­len oplos­sen. Elk idee, elke uit­vin­ding of elk plan kan immers alleen dat­gene cre­ë­ren of ver­nieu­wen waar het zelf op geba­seerd is, waarin het gelooft. En ons hui­dige wereld­beeld is er sterk op gericht de wereld te zien als een hulp­bron voor ons eigen wel­zijn. Veel ‘inno­va­ties’ die wor­den gedre­ven door de angst voor toe­kom­stige tekor­ten, blij­ven de wereld of mede­men­sen zien als een exploi­ta­tie­mid­del voor het gewin van het indi­vidu of de eigen groep.

Het is pijn­lijk om te zien hoe eigen­be­lang – of col­lec­tief eigen­be­lang – uiterst dwin­gend en scha­de­lijk kan zijn door vast te hou­den aan ver­wor­ven rech­ten en pri­vi­le­ges, te han­de­len bin­nen de gren­zen van de wet, ande­ren de schuld te geven en aller­lei argu­men­ten aan te dra­gen om vooral sta­tisch te blij­ven. En het is nog indruk­wek­ken­der om te zien hoe ver­sla­vend een over­vloed aan basis­be­hoef­ten is, en hoe ont­wrich­tend een tekort eraan is geworden.

De vraag naar de toe­komst toe zal zijn: Zijn de daden die je stelt of nalaat, lou­ter geba­seerd op motie­ven van basis­be­hoef­ten, nog wel vol­doende? We den­ken dat we iets moe­ten vin­den dat dich­ter bij ons wezen ligt, iets fun­da­men­te­lers. Wat is dit ‘fun­da­men­te­lere’?

De meeste men­sen wil­len uit de grond van hun hart het goede doen. Van­uit die goed­heid ont­staat de wer­ke­lijke exis­ten­ti­ële impuls om ver­bon­den, uit­ge­daagd, cre­a­tief en van invloed te zijn. Waarom? Ze wil­len bij­dra­gen; als ze niet wer­den belem­merd door de zor­gen en ver­plich­tin­gen van hun basis­be­hoef­ten, zou­den ze dat ook doen. Als ze een ander per­spec­tief op het leven had­den, zou­den ze in actie komen.

Nauw­keu­ri­ger gezegd: in onze hui­dige levens­stijl wordt de impuls om ver­bon­den, uit­ge­daagd, cre­a­tief en invloed­rijk te zijn, over­scha­duwd door onze vaar­dig­he­den gericht op basis­be­hoef­ten. We zijn getraind in voor­spel­bare con­trole en gescript gedrag om über­haupt te kun­nen han­de­len. Als de infor­ma­tie com­plexer is, te veel, onbe­kend of diep­gaand, rea­ge­ren we meestal met nóg meer con­trole en dwang. Alles is gestroom­lijnd en gestruc­tu­reerd: hoe meer we orga­ni­se­ren met tech­no­lo­gie en een tech­ni­sche mind­set, hoe meer ver­plich­tin­gen en aan­spra­ke­lijk­he­den we lij­ken te heb­ben. Ver­uit de mees­ten van ons zijn, ter­wijl ze op een sta­tion naar hun tele­foon sta­ren, druk met de ver­plich­tin­gen van genot, zelf­ver­wer­ke­lij­king of sim­pel­weg over­le­ven. Wij als mens zijn tot zoveel meer in staat.

Image of flat person

Een vriend van mij bezocht een school om hun ‘metho­diek’ voor wis­kunde te obser­ve­ren, omdat ze zulke uit­ste­kende resul­ta­ten behaal­den. De leer­lin­gen hiel­den zich bezig met breu­ken. Hun opdracht luidde als volgt: Je hebt zeven eet­stok­jes (chop­sticks). Ver­deel deze op een vrien­de­lijke manier over twee per­so­nen. Je moet de oplos­sing bin­nen je werk­groep vin­den en een pre­sen­ta­tie geven over hoe jul­lie groep tot dit ant­woord is gekomen.

Mijn vriend was ver­baasd over de moei­lijk­heids­graad van de taak, aan­ge­zien het om jonge kin­de­ren ging. En eer­lijk gezegd was hij geïr­ri­teerd door de toe­voe­ging “op een vrien­de­lijke manier”, wat hij uiterst sub­jec­tief vond, en door het feit dat er geen enkele aan­wij­zing was gege­ven over de tijd of de vorm waarin ze hun ant­woord moesten presenteren.

Maar de leer­lin­gen leken er geen last van te heb­ben; ze werk­ten actief en met volle aandacht.

Ook mijn vriend moest hard aan het werk. Hij ver­telde dat hij voort­du­rend afstand moest nemen van al zijn eigen ideeën over onder­wijs door wat hij daar zag gebeu­ren: iets wat hij later omschreef als actief leren. Hij merkte ook op dat de lera­ren niets deden om te hel­pen, maar wel uiterst attent en opmerk­zaam toe­ke­ken. Zelfs toen hij dui­de­lijk zag dat één groepje er niet uit­kwam, lie­ten de lera­ren de jon­gens en meis­jes begaan en worstelen.

Wat betreft de pre­sen­ta­ties zei mijn vriend later dat dit voor hem het beslis­sende moment was om het ver­schil te begrij­pen tus­sen leren en onderwijzen.

Dit waren de oplos­sin­gen waar de kin­de­ren mee kwamen:

  • Geef ieder drie stok­jes, maar het vierde stokje krijg je om de week.
  • Geef ieder drie stok­jes en geef het zevende weg.
  • Zorg dat je er nog een stokje bij krijgt.
  • Je hebt eigen­lijk maar twee stok­jes nodig om te eten, dus laat die andere drie maar liggen.
  • En natuur­lijk: breek het zevende stokje doormidden.

Er moet wel bij wor­den gezegd dat die laat­ste oplos­sing door de meeste kin­de­ren niet werd goed­ge­keurd, want met een half stokje kun je immers niet eten.

En toen zei de leraar iets diep­zin­nigs: “Dat is waar, maar we gebrui­ken breu­ken in de reken­kunde als we het geheel in stuk­ken moe­ten bre­ken om er iets mee te kun­nen doen. Je kunt het dan op een andere manier delen of samen­voe­gen. Voor som­mige din­gen werkt dat wel, en voor andere niet. Soms is het dus een han­dig hulp­mid­del. Kun je mij een voor­beeld geven van iets wat je kunt opbre­ken om te gebrui­ken?” En later: “En hoe voeg je het op een andere manier weer samen?”

Je kunt je de ant­woor­den wel voor­stel­len. Mijn vriend vond dit uit­ste­kend onder­wijs. Maar het was nog niet klaar, want nu moesten de groe­pen ver­tel­len hoe ze tot hun ant­woord waren geko­men. Die korte reflec­ties van de kin­de­ren over hun geza­men­lijke denk­pro­ces waren prach­tig, zei hij: “Ik wist voor­heen niet dat kin­de­ren zo opmerk­zaam waren.”

Het werd dui­de­lijk dat de wor­ste­lende groep, die uit­ein­de­lijk met het door­mid­den bre­ken van het stokje was geko­men, hele­maal geen pro­ces van col­lec­tieve intel­li­gen­tie had door­ge­maakt. Eén jon­gen wist al hoe breu­ken werk­ten, ver­telde de ande­ren dat dit het ant­woord was en liet wei­nig ruimte voor alternatieven.

De leraar vroeg aan elke groep: “Wat heb je geleerd?”

Onder­ling had­den ze veel geleerd over de prin­ci­pes van ‘breu­ken’ en ‘geheel’, van toe­wij­zen en samen­voe­gen. Dat cre­ëerde de ope­ning om de tech­niek te leren, zo con­clu­deerde mijn vriend. De wor­ste­lende groep begon aller­lei soci­aal-emo­ti­o­nele aspec­ten te benoe­men. “Het werd mij heel dui­de­lijk dat er wel dege­lijk werd geleerd, maar niet over breu­ken,” zei mijn vriend toen hij er aan het eind van de dag met de lera­ren over nrak­ste. Maar een van hen zei lachend dat dat in dit geval juist wel zo was, omdat de groep was ‘gebro­ken’ (to frac­tion). Ik vond dat een heel tref­fend begrip van het bewust­zijn van het geheel, maar mijn vriend vond het wat ver­ge­zocht. Hij had enorm geno­ten van het school­be­zoek en het ver­an­derde zijn hele kijk op onder­wijs. “Ik moest mezelf echt opnieuw uit­vin­den,” zei hij. “Ze boden op de een of andere manier fun­da­men­teel leren aan.”

Het inzicht van mijn vriend was: Je moet in staat zijn te leren, voor­dat je onder­we­zen kunt wor­den. Waar­bij leren altijd een actieve han­de­ling is van de lerende die zich ver­bindt met de prin­ci­pes van dat­gene wat geleerd kan wor­den. Ik ken heel wat scho­len die dit prin­cipe begin­nen te ver­ken­nen, en het Finse onder­wijs­sys­teem heeft dit bij­voor­beeld gro­ten­deels omarmd. Natuur­lijk sti­mu­leert een gebo­ren leraar het leren op elk moment, maar het groot­ste deel van ons onder­wijs­sys­teem is gericht op onder­wij­zen (les­ge­ven), omdat dat het enige is wat je kunt meten met tech­nie­ken zoals exa­mens. Het is boven­dien meestal gericht op onder­wij­zen om te vol­doen aan de for­mats en mal­len van onze hui­dige samen­le­ving, meer spe­ci­fiek onze eco­no­mie. De eco­no­mie: een puur pro­duct van het den­ken en gelo­ven in basis­be­hoef­ten. In haar hui­dige vorm staat ze zo ver af van haar wezen­lijke aard, dat ze de schade niet ziet van het gebrui­ken van de hulp­bron­nen van allen ten gunste van enkelen.

Dit is een goed voor­beeld van hoe het ver­lie­zen van de ver­bin­ding met de wor­tels van de din­gen altijd, zon­der uit­zon­de­ring, een scha­de­lijke impact heeft ergens in het sys­teem. Het gebeurt wan­neer we de tech­ni­sche kant van een feno­meen accep­te­ren als ‘de reden waarom het bestaat’, omdat we niet heb­ben geleerd ons te ver­bin­den met de die­pere bete­ke­nis en het doel van economie.

De mees­ten van ons zijn gewend onder­wijs te zien als een (eco­no­mi­sche) hulp­bron om een plek te ver­o­ve­ren in de wereld zoals die is. Het levert goede resul­ta­ten op, blinkt zelfs uit in een sys­teem dat gedo­mi­neerd wordt door cri­te­ria van basis­be­hoef­ten. We maken gebruik van wat we als samen­le­ving heb­ben opge­bouwd, waar­van het over­grote deel nog steeds geba­seerd is op wat de wereld ons schenkt.

Maar in de afge­lo­pen decen­nia begin­nen we lang­zaam de impact te zien van deze mind­set – de wereld lou­ter gebrui­ken als hulp­bron – ach­ter ons onder­wijs­sys­teem op de samen­le­ving en de pla­neet. Om bij te dra­gen aan de wereld, om ermee samen te wer­ken als part­ner, is leren noodzakelijk.

Mijn inzicht na het horen van het ver­haal over de eet­stok­jes was: Voor­dat je een tech­niek kunt gebrui­ken, moet je ver­bin­ding heb­ben met de prin­ci­pes, de geest erach­ter, waarop de tech­niek is geba­seerd. Het maakt niet uit of dit nu wis­kunde is, een smartphone, de eco­no­mie of een pro­ject­ma­na­ge­ment­tool. Tech­nie­ken kun­nen je alleen als hulp­mid­del die­nen als je je eigen ver­bin­ding hebt met de wor­tels en prin­ci­pes die het instru­ment heb­ben voort­ge­bracht. Niet hoe het is gemaakt, maar waarom het is gemaakt.

Mijn wezen moet ver­bon­den zijn met de die­pere bete­ke­nis ach­ter het den­ken dat de tech­niek heeft voort­ge­bracht, om deze op een bevrij­dende manier te kun­nen gebrui­ken. Ik weet dat dit voor onze vaar­dig­he­den gericht op basis­be­hoef­ten een uiterst abstracte zin is; we wil­len een voor­beeld, we wil­len uit­leg, we wil­len goed onder­wijs… Maar voor onze dyna­mi­sche vaar­dig­he­den is het een mooie oefe­ning. Leren acti­veert name­lijk een heel ander deel van ons­zelf dan het deel dat we gebrui­ken wan­neer we onder­we­zen worden.

Hoe dan ook, begrip van het wezen van de din­gen is geen vast­staande, fei­te­lijke ken­nis (zoals het begrij­pen van een hulp­mid­del dat is); het is een con­stant, dyna­misch leren. Maar als we geen indi­vi­du­ele ver­bin­ding heb­ben met de wor­tels van een tech­niek, is het niet onge­woon dat we ons­zelf ver­lie­zen in de macht en de dwin­gende kracht van tech­nie­ken. Veel experts wor­ste­len hier­mee. We wor­den er afhan­ke­lijk van en soms zelfs aan ver­slaafd, met alle her­ken­bare symp­to­men van dien. De tech­niek gebruikt ons. We wor­den onze tech­niek, en daarin ligt geen toe­komst. Er is geen weg uit een plat scherm als je er een­maal in gevan­gen zit.

Het belang van het ver­schil tus­sen onder­wij­zen en leren kan niet genoeg wor­den bena­drukt. Onder­wij­zen is meestal het gecon­den­seerde resul­taat van leren uit het ver­le­den, zon­der de oor­spron­ke­lijke waar­ne­min­gen en de indi­vi­du­ele rela­tie met de bron van dat leren. Je kunt zoveel onder­wijs­in­for­ma­tie in je opne­men als je aan­kunt, mits je ook in staat bent te leren: dat wil zeg­gen, de infor­ma­tie te ver­bin­den met haar oor­spron­ke­lijke betekenis.

We moe­ten een sterk besef behou­den van de bete­ke­nis van zowel ons­zelf als van de infor­ma­tie, om niet over­wel­digd te wor­den door de dwin­gende invloed die tech­ni­sche sys­te­men – zoals over­he­den, insti­tu­ten, onze kijk op het leven, de ‘con­trole’ over de natuur, enzo­voort – op ons uit­oe­fe­nen. Leren begint altijd met het gebrui­ken van onze zin­tui­gen en het ver­vol­gens ver­wer­ken van die infor­ma­tie. Als er alleen maar sprake is van onder­wij­zen, in de trant van: “dit is hoe we de din­gen doen”, “dit is hoe het werkt”, of van­uit een tech­ni­sche moti­va­tie zoals: “dit moet je nu een­maal doen” of “dit is hoe het sys­teem nu een­maal werkt, ik kan er ook niets aan doen”, dan ont­wik­ke­len we geen enkel gevoel van ver­bon­den­heid met de impact van wat we wel of niet doen. We heb­ben het effect sim­pel­weg niet waar­ge­no­men en daarom kun­nen we het niet begrij­pen in de zin dat het invloed op ons heeft. We kun­nen erover naden­ken, maar dat bete­kent nog niet dat we de impact ervan op ons ‘zijn’ begrijpen.

Den­ken is de prach­tige eigen­schap die ons in staat stelt de gege­vens van een leer­er­va­ring te gebrui­ken in andere, soort­ge­lijke situ­a­ties (net zoals voe­len dat doet met rela­ties). Ech­ter, als we geen ini­ti­ële leer­er­va­ring heb­ben, of als we een erva­ring toe­pas­sen in een totaal onver­ge­lijk­bare situ­a­tie, maakt ons dat kwets­baar voor de ver­lei­dings­kracht van tech­nie­ken. Ons han­de­len of nala­ten wordt abstract, de impact heeft geen indi­vi­du­ele bete­ke­nis voor mij, en daden wor­den uit­slui­tend nog gemo­ti­veerd door per­soon­lijk gewin, groeps­be­lang of orga­ni­sa­to­risch voordeel.

Leren is de vaar­dig­heid om je te ver­bin­den met het ‘zijn’ van alles wat is, zodat er een gezond even­wicht kan ont­staan tus­sen het beheer­sen van de kunst van het leren en de tech­nie­ken die wor­den onder­we­zen. Onder­wij­zen gaat over tech­nie­ken. Leren gaat over waar de din­gen van­daan komen, wat de onder­lig­gende prin­ci­pes zijn en waarom men­sen ze zijn gaan gebrui­ken. Onder­wij­zen kan door lera­ren wor­den gedaan. Leren doe ik zelf, geprik­keld door ver­bin­din­gen, uit­da­gin­gen, cre­a­ti­vi­teit en invloed.

Het gevolg van te wei­nig leren is dat tech­nie­ken vaak wor­den ver­ward met onom­sto­te­lijke fei­ten, met waar­he­den, met “zo is het nu een­maal”, in plaats van “dit is ons hui­dige hulp­mid­del om met de wer­ke­lijk­heid om te gaan”. Dat is een heel groot ver­schil. Want als we een tech­niek zien als een hulp­mid­del, is het er om ons in elke gege­ven situ­a­tie te die­nen; het kan ver­an­de­ren, zich aan­pas­sen, of we kun­nen iets heel anders gebrui­ken als dat effec­tie­ver is.

Als het geen hulp­mid­del is maar een vast­staand feit van het leven, een feit van het ‘zijn’, dan moet ik me aan­pas­sen, dan moet ik ermee leren wer­ken, me ermee ver­bin­den en het doel ervan door me heen laten stro­men. Bijvoorbeeld:

  • Dif­fe­ren­ti­a­tie is een levens­feit, hië­rar­chie is een techniek;
  • Waar­ne­ming is een levens­feit, ken­nis is een hulpmiddel;
  • Cre­a­tieve dyna­miek is een levens­feit, reli­gie is een methodologie;
  • Liefde is een levens­feit, ver­liefd zijn is een hulpmiddel;
  • Balans is een levens­feit, boek­hou­den is een hulpmiddel;
  • Samen­hang (cor­re­la­tie) is een levens­feit, een rela­tie is een techniek;
  • Even­wicht is een levens­feit, wet­ten zijn een methodologie;
  • Har­mo­nie is een levens­feit, wis­kunde (cal­cu­lus) is een techniek;
  • Indi­vi­du­eel zijn is een levens­feit, zelf­ver­wer­ke­lij­king is een metho­do­lo­gie, enzovoort.

Het ver­bin­den met dit ‘zijn’ en deze bete­ke­nis­sen is een vloei­end, voort­du­rend ver­an­de­rend pro­ces. We zijn er eigen­lijk heel goed in, als we ons­zelf toe­staan in deze dyna­miek te stappen.

Het is ech­ter niet vrij­blij­vend. Als we pro­ce­du­res, regels, sys­te­men en orders opvol­gen ter­wijl de wer­ke­lijk­heid in feite om iets anders vraagt, ver­min­de­ren we ons ver­mo­gen om met dyna­mi­sche situ­a­ties om te gaan. Meestal begin­nen we een afkeer te krij­gen van dyna­miek en plaat­sen we het in de hoek van over­le­ven, waar ver­an­de­rin­gen gevaar­lijk zijn en ver­schil­lende of onbe­kende din­gen poten­ti­eel scha­de­lijk kun­nen zijn.

Regels, metho­do­lo­gieën, struc­tu­ren of pro­ce­du­res zijn ont­wor­pen om te han­de­len, voe­len and den­ken bin­nen een bepaald, vooraf vast­ge­steld en meestal twee­di­men­si­o­naal kader. In zo’n bena­de­ring van het leven wor­den alle dyna­mi­sche ele­men­ten inge­ka­derd en vast­ge­zet om in een sta­tisch begrip te pas­sen. Ze zijn niet ont­wor­pen of uit­ge­rust om met een dyna­mi­sche situ­a­tie om te gaan. Of we het nu leuk vin­den of niet: wen­nen aan een zeer gestruc­tu­reerde levens­stijl die wei­nig ver­bin­ding heeft met de fijn­ge­voe­lige en onder­ling ver­bon­den dyna­miek van het leven, is scha­de­lijk voor ons­zelf en voor anderen.

Maar deze die­pere ’triple-loop’-feiten zijn moei­lijk waar te nemen in een gestruc­tu­reerd wereld­beeld, waarin alle infor­ma­tie is gere­du­ceerd tot line­air oor­zaak-en-gevolg­den­ken. In een ‘single-loop’-wereldbeeld ben ik gewend pas in actie te komen als de ver­an­de­ring mijn sta­ti­sche sta­tus direct bedreigt.

We zou­den ons­zelf oprecht de vraag moe­ten stel­len: wat is het effect geweest van het opleg­gen van een sta­ti­sche men­ta­li­teit aan het dyna­mi­sche, inter­ac­tieve natuur­lijke sys­teem van onze pla­neet? Wij zijn immers de soort die in staat is infor­ma­tie door te geven met woor­den en sym­bo­len, waar­door we voor­bij erva­ring en instinct kon­den gaan. Deze gave gaf ons de instru­men­ten om het leven te plan­nen, en dat heb­ben we gedaan in over­een­stem­ming met onze basisbehoeften.

Voor­uit­gang is over een lange peri­ode gemar­keerd door tech­ni­sche inno­va­tie om ons te hel­pen flo­re­ren. We zien deze ont­wik­ke­ling hand in hand gaan met het beheer­sen van onze basis­be­hoef­ten. Een peri­ode die ook wordt geken­merkt door de scha­duw­zijde van de tech­niek, die dui­de­lij­ker zicht­baar werd naar­mate onze tech­ni­sche ken­nis toe­nam. Het is een typisch, door basis­be­hoef­ten gedre­ven geloof dat de vol­gende gene­ra­tie men­sen of tech­no­lo­gie de pro­ble­men zal oplos­sen die de vorige gene­ra­tie men­sen en tech­nie­ken heeft gecre­ëerd. En dat ondanks het feit dat de afge­lo­pen eeu­wen pre­cies het tegen­over­ge­stelde heb­ben laten zien. Dit is hoe we de toe­komst zien: een pro­jec­tie van de opge­loste pro­ble­men van van­daag in een moei­te­loos para­dijs van ple­zier en per­soon­lijk wel­zijn. Dit geloof maakt het moei­lijk te accep­te­ren dat onze pla­neet ons vraagt onze kijk op het leven en op de wereld als lou­ter een leve­ran­cier van basis­be­hoef­ten te ver­an­de­ren. Met ons gaat het prima. Tech­no­lo­gie heeft ons de ver­vul­ling van onze basis­be­hoef­ten gebracht en biedt de moge­lijk­heid om voor­bij de gren­zen ervan te leren, mits we ons doel verleggen.

Alle pro­ble­men ont­staan omdat het sim­pel­weg niet in het bewust­zijn van het basis­be­hoef­ten­sys­teem ligt om eer­lijk te delen, om de vol­gende stap te zet­ten weg van puur per­soon­lijk gewin, of om onze sta­ti­sche levens­stijl te ver­an­de­ren in een dynamische.

Met de wereld gaat het niet goed; onze mede-dier­soor­ten en het sys­teem dat ons onder­steunt, ver­ke­ren in zwaar weer.

Tech­no­lo­gie kan ons in de toe­komst wel­licht bevrij­den van de ver­plich­tin­gen van het voor­zien in basis­be­hoef­ten, mits we haar ver­men­se­lij­ken. Onze hui­dige kijk op tech­niek kan ons nooit in de vol­gende fase van ons men­se­lijk bestaan bren­gen, welke ver­lan­gens en fas­ci­na­ties we ook op onze instru­men­ten pro­jec­te­ren. Even­min kan het de scha­duw­zij­den van dwang en ver­sla­ving ver­min­de­ren, omdat het gebruik­maakt van het para­digma van de basis­be­hoefte, waar­van het grond­be­gin­sel is: de wereld is onze ‘onein­dige’ hulp­bron, zij voor­ziet en zorgt voor ons.

Maar als we ons­zelf gaan zien als de hulp­bron, als we de dyna­mi­sche vaar­dig­he­den leren beheer­sen die we nu al op beschei­den schaal gebrui­ken – maar dan veel actie­ver en bewus­ter – dan kun­nen onze ver­mo­gens als indi­vi­duen en als slimme col­lec­tie­ven de stap zet­ten uit de ver­plich­tin­gen van de basis­be­hoef­ten en de scha­du­wef­fec­ten daarvan.

De vaar­dig­he­den om de bron van ons rent­mees­ter­schap te wor­den, omvat­ten onder meer:

  • Bewust­zijn van de impact van onze daden en ons nala­ten op het geheel (wat dra­gen we bij?);
  • Bewust­zijn van de schoon­heid van het even­wicht van ons bestaan (heb­ben we eer­lijk gedeeld?);
  • Bewust­zijn van het levende ele­ment in de vor­men en struc­tu­ren die we maken (bie­den ze kwa­li­teit van leven?);
  • Bewust­zijn van moei­te­loos­heid en rust (geven onze acties vrij­heid en ruimte om te zijn?).

Stel je eens voor welk trans­for­me­rend effect deze vaar­dig­he­den zou­den heb­ben op onze tech­ni­sche capa­ci­teit en ontwerpen.

Het leren van deze vaar­dig­he­den om klaar te zijn voor onze vol­gende taak – het zorg dra­gen voor de wereld en al het leven daarop – is een bemoe­di­gend en ener­giek perspectief.

De wereld is niet lan­ger plat; zij schenkt ons al eeu­wen­lang een drie­di­men­si­o­naal bewustzijn.

De magi­sche teder­heid die we koes­te­ren voor onze tech­ni­sche pres­ta­ties kan ons terug­bren­gen tot twee­di­men­si­o­nale plat-scherm­we­zens, óf we kun­nen de stap zet­ten om ver­bon­den, uit­ge­daagd, cre­a­tief en van invloed te zijn door de bete­ke­nis ach­ter die ont­wer­pen te leren begrij­pen. Het zou ons toe­gang geven tot infor­ma­tie van een vierde dimen­sie: de toekomst.

Ver­bin­ding maken met de toe­komst is aan ons.

Afbeelding van een platte persoon